|
Miljoenen Chinezen hebben zich de afgelopen jaren boven de armoedegrens geworsteld. Dat gebeurde niet dankzij de visie van de Chinese regering en het almachtige, rigide partijapparaat, maar juist ondanks de belemmeringen die de communistische partij opwierp in het corrupte circuit waar de baantjes en studiebeurzen verdeeld worden. Voor veel desperate, uitgehongerde Chinezen bleef er niet veel anders over dan de keus voor het -oogluikend toegestane- vrije ondernemerschap. Tot die conclusie komt de Schotse journalist James Kynge in zijn pas verschenen boek 'China zet de wereld op zijn kop'. Kynge, die tot voor kort bureauchef van de Financial Times in Peking was, doet in zijn boek een poging om de opkomst van de onstuitbare Chinese economie te schetsen: 'In 1978 had men praktisch nog nooit van privé-telefoons gehoord, terwijl in 2005 ongeveer 350 miljoen mensen een mobiele telefoon bezaten en meer dan 100 miljoen toegang hadden tot het internet.' De gevolgen van de Chinese expansie voor voor het industriële midden- en kleinbedrijf in het Westen dreigen funest te worden: geavanceerde apparatuur wordt door Chinezen vaak gekocht op voorwaarde dat 'de technologische know how meeverhuist.' In de andere richting verhuizen zeker geen jobs, maar wel spotgoedkope (namaak)producten voor een kostprijs van bijna niets. Toch vraagt de auteur zich af wie zich die hebbedingetjes nog zal kunnen veroorloven indien hier almaar meer hele industriegebieden tegen de vlakte gaan.
|