 ‘Groei’ was het modewoord van de voorbije Europese top in Brussel, maar laat u niets wijsmaken, schrijft The Economist. Zowat elk Europees land is een andere mening toegedaan van hoe die groei moet worden gerealiseerd. Net daarom lijkt een gemeenschappelijke groeistrategie even ver af als een akkoord over de Griekse schuldenberg.
Dreigt daarom een algemene verlamming van de economie? Niet direct, want een rapport van de Wereldbank is zelfs opmerkelijk positief. Of, om het in de woorden van de auteur Indermit Gill te stellen: ‘Amerika nam arme immigranten op en maakte er rijke burgers van; de EU nam arme landen op en maakte er rijke landen van. Het economische model heeft zijn nut dus bewezen, zelfs wanneer zich nu hervormingen opdringen.’
Twee problemen steken er bovenuit:
1. De omvang van de overheidsuitgaven Indien Amerika de supermacht van de militaire uitgaven is - het land besteedt even veel aan defensie als de rest van de wereld gecombineerd -; dan is Europa de ‘lifestyle-supermacht’, die meer uitgeeft aan sociale bescherming dan de rest van de wereld gecombineerd.
Maar een vet overheidsapparaat is - uitgezonderd als je Zweden heet - een uitstekend recept voor vertraagde groei, schrijft de Wereldbank. Ook de veroudering van de bevolking draagt bij tot de lasten. Zullen Europeanen nog altijd de keuze hebben tussen kortere werkdagen en langere vakanties dan de Amerikanen, dan zullen ze niet meer vervroegd op pensioen kunnen gaan.
2. Productiviteit Was Europa er midden de negentiger jaren van vorige eeuw in geslaagd de productiviteitskloof met de VS te dichten, dan hinkt het continent nu alweer achterop. Vooral het zuiden van Europa is problematisch, waar de productiviteit gewoonweg is gedaald. Nadat zuiderse landen de voorbije jaren vooral aan productiviteit wisten te winnen door technologie te importeren, zijn nu innovatie en ondernemerschap vereist. Maar de afhankelijkheid van kleine familiebedrijven, een logge administratie, overregulering en een overbeschermd arbeidskorps werken dat tegen.
Zelfs zonder de zuiderse hoofdpijn produceert Europa nog altijd te weinig start-ups in sectoren als de biotechnologie en IT. Daarvoor zijn tal van redenen: er is te weinig synergie tussenind ustrie en universiteiten, ook de eenheidsmarkt blijft te gefragmenteerd opdat bedrijven makkelijk kunnen uitbreiden. Zelfs het Europese internet heeft zijn grenzen, zoals al wie al eens online buiten zijn eigen land heeft geshopt zal bevestigen.
In dat verband is het interessant om de besluitvorming voor de introductie van een Europees patent eens onder de loep te nemen. Dat patent laat al decennialang op zich wachten. Zo’n patent is vandaag tot vijf maal duurder dan in de VS, omdat voor verschillende landen verschillende patenten moeten worden ingediend en die ook nog eens alle vertaald moeten worden. Ook de kost van een rechtzaak is evenredig duurder.
Een uniek Europees patent zou de innovatie aanmoedigen en de kosten doen dalen. Maar een eenvormig paten wordt geblokkerd door taalkwesties. Vorig jaar leek een doorbraak nabij toen 25 EU-landen beslisten de Italiaanse en Spaanse eisen naast zich neer te leggen en patenten voortaan zouden worden opgesteld in de drie belangrijkste EU-talen Duits, Frans en Engels.
Doch die doorbraak staat alweer op de helling omdat Duitsland, Frankrijk en het VK nu bekvechten over de vestigingsplaats van het patenthof, dat zal optreden bij geschillen. Alle drie de landen vinden dat zij en niemand anders zo’n instituut mogen opeisen.
Indien de grote EU-landen er niet in slagen dit soort kleine, maar naar economische groei toe, belangrijke beslissingen te nemen, hoe groot is dan de kans dat de volledige EU één standpunt inneemt waar het de economische groei van het ganse continent betreft?
Is het verwonderlijk dat de rest van de wereld stilaan zijn vertrouwen in Europa verliest?
|