 Het zijn moeilijke tijden voor buitenlanders. Europese anti-immigratiepartijen zien hun aanhang verder groeien, terwijl in Amerika de Republikeinse presidentskandidaten zeggen liever de grens met Mexico te willen afsluiten dan de kinderen van illegalen te onderwijzen. Ook Barack Obama heeft de immigratiehervormingen die hij beloofde niet doorgevoerd.
Die negatieve attitude tegenover immigratie mag niemand verbazen: ze is het gevolg van een neergaande economische cyclus, die wil dat rijke landen hun grenzen beter gaan beschermen.
Toch doen rijke landen er goed aan hun deuren open te houden, schrijft The Economist. Het weekblad somt een paar opmerkelijke feiten over immigratie op: 1.) Er zijn nu 215 miljoen eerstegeneratiemigranten wereldwijd; 3% van de wereldbevolking. 2.) Mochten ze een land vormen, dan zou dat land iets groter zijn dan Brazilië. 3.) Er leven meer Chinezen buiten hun landsgrenzen dan er Fransen in Frankrijk wonen. 4.) 22 miljoen Indiërs leven verspreid over de wereld. 5.) Kleine ethnische en taalgroepen gedijen op de meest bizarre plaatsen: Libanezen in west-Afrika, Japanners in Brazilië en Welshmen in Patagonië, maar recent ook west-Afrikanen in China.
Deze diaspora’s bevorderen de handel, de verspreiding van ideeën en de circulatie van financiële middelen. Een Chinees die in Indonesië woont en daar een mogelijkheid ziet om paraplu’s te importeren zal daarvoor een beroep doen op zijn neef in Chongqing. Veel van de meest briljante intellectuelen in de opkomende economieën studeerden aan westerse universiteiten. IT-centrum Bangalore werd groot op ideeën die Indische informatici in Silicon Valley opdeden. Uit een recente studie van Harvard Business School blijkt dat Amerikaanse bedrijven die veel Chinezen in dienst hebben veel makkelijker filialen kunnen oprichten in China.
Deze argumenten dreigen weinig westerlingen te overtuigen. Bij de westerse bevolking leven nog altijd twee grote vooroordelen: 1.) Immigranten profiteren overmatig van de sociale zekerheid die rijke landen hebben opgebouwd. 2.) Omdat immigranten bereid zijn tegen lage lonen te werken duwen ze de gemiddelde lonen naar beneden.
De eerste stelling is onwaar (In Groot-Brittannië doen immigranten minder beroep op de sociale zekerheid dan de autochtone bevolking); de tweede is moeilijk te bewijzen (sommige studies bevestigen de stelling; andere zeggen dat het effect op de lonen verwaarloosbaar tot onbestaande is).
De verworvenheden van massa-immigratie blijven tot op vandaag onderbelicht: een recente studie van de Duke University toont aan dat hoewel immigranten slecht een achtste van de Amerikaanse bevolking uitmaken, ze een kwart van de Amerikaanse technologie- en engineeringbedrijven hebben opgericht.
Rijke landen profiteren van immigratie. In het buitenland opgeleide Indiërs speelden een grote rol in de economische hervormingen die het land begin negentiger jaren van vorige eeuw doorvoerde. Ook de 500.000 in het buitenland opgeleide Chinezen werken na hun terugkeer aan een meer democratisch China. Zij zouden volgend jaar al 15 tot 17% van de plaatsen in het Centrale Comité innemen, tegen slechts 6% in 2002.
Dat de oude wereld zijn grenzen wil sluiten is begrijpelijk, maar gevaarlijk: migratie brengt jeugd naar vergrijzende landen en laat ideeën circuleren via steeds meer mobiele geesten. En dat is goed voor iedereen.
|