 Oefening kan het natuurlijk talent aanscherpen, maar uiteindelijk bepaalt het werkgeheugen of iemand uitgroeit tot een echte virtuoos. Dat is de conclusie van een onderzoek van de Southern Illinois University en de Michigan State University in de Verenigde Staten. Onderzoekers Elizabeth Meinz en David Hambrick stellen dat oefening bijzonder belangrijk is om prestaties te kunnen leveren, maar uit het onderzoek is volgens hen gebleken dat de cognitieve mogelijkheden, met vooral de capaciteit van het werkgeheugen, uiteindelijk een limiet lijkt te opleggen aan het prestatieniveau dat kan worden bereikt.
Het werkgeheugen zorgt er volgens de Amerikaanse onderzoekers voor dat relevante informatie in het menselijk brein actief kan blijven. "Muzikanten gebruiken hun werkgeheugen wanneer ze muziek lezen en dat laat hen toe om hun instrument te bespelen terwijl ze de volgende noten lezen om de melodie vloeiend te kunnen houden," merken de onderzoekers op. Uit het onderzoek bleek dat oefening bij muzikanten 45 procent van hun mogelijkheden bepaalt om een muziekwerk vlot te lezen en te bespelen. De capaciteit van het werkgeheugen kan daar volgens Meinz en Hambrick echter nog eens 7 procent aan toevoegen.
"Wetenschappers discussiëren al meer dan een eeuw over de rol van oefening in de ontwikkeling van expertise," aldus het magazine Medical News Today. "Vaak werd aangenomen dat genialiteit het gevolg was van een overgeërfd talent. Op dit ogenblik gaan vele onderzoekers er vanuit dat oefening de doorslag geeft in het verwerven van virtuositeit. Volgens een aantal wetenschappers duurt het een decennium intense oefening voor men zich een expert mag noemen. Uit het onderzoek van Meinz en Hambrick is echter gebleken dat bij het wegcijferen van de oefening, er nog altijd een verschil van 7 procent overblijft." (MH)
|