 Toen in 2004 een van de toplui van Google een aandelenpakket verkocht, was hij de staat Californië op de winst die hij op die transactie maakte 200 miljoen dollar belasting verschuldigd. Plichtsgetrouw schreef de man een cheque uit voor het volledige bedrag. Maar een week later zat die terug in zijn brievenbus, met de beleefde vraag om het bedrag op te splitsen in verschillende cheques voor kleinere bedragen. Het computersysteem in Sacramento bleek niet uitgerust om dergelijke som in één keer te verwerken.
Bovenstaande anekdote lijkt onwaarschijnlijk, doch ze is door lokale belastingsambtenaren bevestigd aan een journalist van The Wall Street Journal.
Google is slechts een van de vele bedrijven die profiteerden van de internetrevolutie, die ervoor zorgden dat Silicon Valley - een gouden strook van 80 km lang op 20 km breed, gelegen tussen de steden San Jose en San Francisco aan de Amerikaanse westkust - uitgroeide tot de nieuwe motor van de Californische economie. Exact 16 jaar nadat Time Magazine de computer had uitgeroepen tot ‘Man of the Year 1982’ (niet toevallig ook het jaar waarin de eerste Goldman Sachsregering in de VS haar intrede maakte onder Ronald Reagan) - begon in Silicon Valley een tijdperk waarin technologiebedrijven de toegang tot elke bestaande sector zouden forceren, daarbij zowat alle bestaande zakelijke modellen op hun kop zouden zetten, en honderden techentrepreneurs een nooit geziene persoonlijke rijkdom zouden vergaren.
Tegen 1998 produceerde Silicon Valley gemiddeld 60 dollarmiljonairs per week. En hoewel de markt ook hier grotendeels zou terugnemen wat hij eerder had gegeven (de dotcombubbel en de aanslagen van 9/11 zouden tussen 2000 en 2002 al eens 4.700 miljard dollars in rook doen opgaan), was ‘the Valley’ in 2004 al aan zijn tweede dotcomboom bezig.
Het was in het midden van de negentiger jaren van vorige eeuw dat lokale economen ontdekten dat de Californische economie stilaan maar zeker in twee begon te splijten. Stijgende belastinginkomsten waren afkomstig van steeds minder mensen. Dat betekende dat een kleine elite van topverdieners astronomische bedragen binnenharkten -een aantal onder hen verdienden honderden miljoenen dollars per jaar. Aan de onderkant van de inkomenspiramide gingen de lonen amper omhoog. De economen stelden ook vast dat de meeste van deze superverdieners in Silicon Valley woonden en dat het gros van hun inkomen vanuit de verkoop van aandelen kwam. De inkomens van de top 20% van de Californiërs stegen tussen 1993 en 1998 met bijna 50%; de inkomens van de rest van de staat groeiden in dezelfde tijdsspanne met minder dan 15%. Tussen 1990 en 1998 verdriedubbelden de winsten uit de verkoop van aandelen tot 60 miljard dollar.
So far, so good, dus, want de Golden State leek aan een nieuwe goldrush begonnen, waarbij ook wat goudvlokjes in de staatskassen neerdwarrelden. En dat was goed nieuws voor de blauwste van alle blauwe (democratische) Amerikaanse staten. Het veelal op Europa geïnspireerde ideaal van de herverdeelde rijkdom leek zo te kunnen worden gerealiseerd.
Maar eerder dan te steunen op bewezen sectoren zoals de ruimtevaart, de landbouw, vastgoed en consumentenverkopen, werd de staat Californië afhankelijk van de aandelenmarkten. Een economie die ooit op echte zaken was gebouwd, leefde nu grotendeels bij gratie van een rijke groep techneuten, die voor hun inkomen afhankelijk waren van het kaartenhuis waarin de aandelenmarkten zich begonnen te transformeren. In 2007 verdiende de top 1% Californiërs 25% van het totale inkomen van de staat en betaalden ze 48% van alle inkomensbelasting - meer dan de volledige 80% onderaan de inkomenspiramide.
Toch was het al in 2000 dat een paar economen concludeerden dat de staat Californië zich aan de rand van de afgrond bevond. Voor zijn inkomen was de staat afhankelijk geworden van een kleine groep financiële hoogvliegers, die op hun beurt afhankelijk waren van de capriolen van de beurs. De vraag was dus niet of maar wanneer de overheidseconomie, samen met die aandelenmarkten, zou instorten. Wilde men dat vermijden dan moest de financiële toekomst van de rijken - in dit geval de evolutie van de beurskoersen - worden voorspeld, iets wat - zoals ondertussen iedereen weet - onmogelijk is.
Net als bij ons zou ook hier de politiek niet voor een oplossing zorgen. De Republikeinen vonden dat een budgetcrisis enkel kon worden vermeden door de belastingen voor de rijken te verlagen; de Democraten dachten dat de afhankelijkheid van volatiele aandelenmarkten enkel bevestigde dat de rijkdom zich bij steeds minder mensen concentreerde, terwijl de rest van de bevolking de armoede werd ingeduwd en dat zolang de rijken geld maakten, de overheid daarvan moest profiteren om met de inkomsten uit belastingen talloze sociale programma’s voor de minderbedeelden te financieren. En omdat politici enkel overleven bij gratie van goed nieuws maakten de verkozenen er de gewoonte van om de monsterinkomsten uit een goed jaar in de daaropvolgende jaren in te schrijven als recurrente inkomsten, die daarna snel werden toegewezen aan programma’s in onderwijs, gezondheidszorg, pensioenen etc...
Doch eens het gouden manna uit de techwereld abrupt opdroogde, restte weinig meer dan een nooit gezien gat in de staatskas. Bereikte het Californische budgettekort na de aanslagen van 9/11 en de eerste dotcomcrisis in 2002 de bagatel van 20 miljard dollar, dan was dat in 2009 opgelopen tot 42 miljard dollar.
In oktober 2009 waren de staatskassen dan finaal leeg en was de kredietstatus van ‘s werelds achtse economie gedegradeerd tot BBB, nog net boven de ‘junkstatus’. Ambtenaren werden uitbetaald in IOU's, schuldbekentenissen afgeleid van de term ‘I Owe You' (Ik ben je schuldig) en die slechts bij een paar banken konden worden verzilverd mist inhouding van een inningspercentage. Californië - de achtste economie ter wereld - was virtueel failliet.
Veel oplossingen waren er niet, want de burgers van Californië hebben via referenda het belastingsysteem zo in elkaar gezet dat het vrijwel onmogelijk is de belasting te verhogen. Californië wordt niet door politici, maar veelal door campagnevoerders bestuurd die zich op één onderwerp toeleggen en handtekeningen ronselen in de nabijheid van supermarkten. Halen ze genoeg handtekeningen op dan kunnen ze een openbare stemming eisen voor hun voorstel. (Zo zullen de Californiërs zich bij de presidentsverkiezingen in november niet enkel kunnen uitspreken over het werk van president Obama; ze zullen naar alle waarschijnlijkheid ook moeten beslissen of porno-acteurs voortaan condooms moeten gebruiken).
Californië is ondertussen wat aan de beterhand. De grote kredietbeoordelaars hebben de kredietstatus lichtjes verhoogd tot A-, terwijl de privé-sector in 2011 zo’n 200.000 nieuwe jobs creëerde (in 2009 verdwenen er 857.000). Ook de overheid zette de tering naar de nering en zette tussen 2009 en 2011 gedurende 31 opeenvolgende maanden het mes in het personeelsbestand. De nieuwe gouverneur Jerry Brown is er in geslaagd een budget te laten stemmen dat het tekort volgend jaar reduceert tot 9,2 miljard dollar, het kleinste tekort sinds 2007. De besparingen treffen vooral de sociale sector en indien in november een kleine belastingverhoging niet wordt goedgekeurd, dan zal Brown verplicht worden 4,7 miljard te besparen in het onderwijs.
De kloof tussen rijk en arm en het debat over wat de rijken al dan niet moeten bijdragen, duurt dus ook hier nog een tijd voort. In 2006 lanceerde toenmalig Citigroepstrateeg Ajay Kapur in dat verband het woord ‘plutonomie’. Dat is een samenleving waarin de economische groei steeds meer afhankelijk wordt van een kleine groep superrijken.
‘Fascinerend,’ zegt Kapur, ‘wanneer je bedenkt dat je aan de ene kant een groot deel van de bevolking hebt dat geen belastingen betaalt, maar vindt dat het recht heeft op allerhande bijstand. Aan de andere kant heb je de plutonomen, die hun bezit beschermen en nooit genoeg belastingen zullen kunnen betalen om al wat de eerste groep verlangt te financieren. De conclusie is dat de budgettekorten steeds groter dreigen te worden. Tenzij je de eisen van de bevolking tempert, wat moeilijk is in een democratie, waar politici leven bij gratie van het uitdelen van geschenken. Ofwel moet je de belastingen verhogen... evenmin een populaire maatregel.’
Hoewel Washington en de staten ondertussen proberen met complexe rekenmodellen hun inkomensverwachingen beter af te stellen op de ware stand van de economie, zit er voor overheden weinig anders op dan te leren leven met de ups en downs die gepaard gaan met een systeem waarbij wordt vertrouwd op de inkomsten van de superrijken.
|