‘God would tell me, 'George go and fight these terrorists in Afghanistan'. And I did. And then God would tell me 'George, go and end the tyranny in Iraq'. And I did.' George W. Bush, in een speech voor een delegatie van Palestijnen, in Sharm-el-Sheikh (2003)
Toen de Amerikaanse Oostkust in augustus van dit jaar werd opgeschrikt door een aardbeving die uiteindelijk 21 mensenlevens zou eisen, zag de Republikeinse presidentskandidate Michele Bachmann daarin ‘een boodschap van God’, die op die manier te kennen gaf dat de tijd was aangebroken voor Washington om een andere weg in te slaan. Dat wekte weinig verwondering, want Bachmann, de favoriete van de conservatieve Tea Party, doet wel meer van dit soort controversiële uitspraken. Zo organiseerden zij en haar echtgenoot Marcus een reeks workshops die beloofden al biddend van homo’s opnieuw hetero’s te maken.
Europa heeft het vaak moeilijk om deze verstrengeling van geloof en politiek in Amerika te begrijpen. Maar vele Amerikanen vinden in Bachmann exact wat ze zoeken: een diepgelovige, religieuze vrouw met een ijzeren overtuiging; een midwesterse versie van Margaret Thatcher, zeg maar, en dat in een tijdperk waarin steeds meer politici hun overtuiging veinzen.
Amerika blijft een diep religieus land. Hoewel 76% van de Amerikanen in 2009 vond dat godsdienst zijn invloed op de Amerikaanse samenleving aan het verliezen was, zegt 83% van de Amerikanen wel een godsdienst aan te hangen. 40% zegt wekelijks op zijn minst één of meer erediensten bij te wonen, 44% van de Amerikanen zegt op zijn minst eenmaal daags voor het eten te bidden. Cijfers die het land in de rangschikking van de godsdienstbeleving vóór het Iran van de ayatollahs positioneren. Geloof en politiek wandelen dus nog steeds hand in hand.
Het diepe geloof van vele politici heeft dan ook verstrekkende publieke gevolgen. Staat de scheiding van Kerk en staat zwart op wit in de Amerikaanse grondwet, dan heeft Amerika de politiek nooit van de godsdienst gescheiden. Sterker nog, politici die God niet hoog in het vaandel dragen maken nog amper kans au sérieux te worden genomen. Ook in de aanloop van de presidentsverkiezingen 2012 zit het Republikeinse kamp vol kandidaten die zich graag profileren als ‘een instrument van God om het kwaad in de wereld te bestrijden.’
Michele Bachmann, maar ook Herman Cain (die zich ondertussen uit de race terugtrok nadat een half dozijn vrouwen openbaar maakten met hem een affaire te hebben gehad), die gospels zingt, de Texaan Rick Perry, die gebedsrally’s leidt waarop 30.000 mensen afkomen, of voormalig Mormoons missionaris Mitt Romney, die samen met Newt Gingrich topfavoriet is om het straks tegen Barack Obama op te nemen. ‘God is a personal adviser and inspiration to all of them,’ schreef journalist Michael Kingsley in 2007 al in Time Magazine, in een artikel met de toepasselijke titel ‘God as their running mate’.
Mocht een van die kandidaten het van Obama halen dan zou dat grote gevolgen hebben voor bijvoorbeeld de wetenschap. Zowat alle Republikeinse kandidaten trekken de klimaatswijziging in twijfel. Newt Gingrich heeft zijn twijfels geuit omtrent stamceltherapie, terwijl Herman Cain de wetenschappelijke benadering van homoseksualiteit in vraag stelt. Volgens Rick Perry is de evolutietheorie ‘slechts een van de vele theorieën en ‘een dan nog die vol gaten zit’. Bachmann wil het creationisme in de scholen onderwijzen en de schepping als concurrerend verklaringsmodel laten hanteren voor die evolutietheorie.
Maar haast niemand in de VS stelt de vervlechting van godsdienst en politiek nog in vraag. Toen de atheïst Michael Newdow er in 2002 een punt van maakte dat wie de eed aflegt trouw moet zweren aan de Amerikaanse vlag en dat die eed de woorden ‘one nation under God’ bevat, kreeg hij van het Gerechtshof van Californië gelijk toen hij stelde dat die passage het monotheïsme institutionaliseerde, en dat terwijl de Amerikaanse grondwet de vrijheid van religie waarborgt. Doch het Hooggerechtshof kwam op die uitspraak terug door te stellen dat Newdows klacht niet rechtsgeldig was. George W. Bush noemde de interventie van Newdow ‘belachelijk’ en ‘fout’. De Amerikaanse senaat volgde de president en steunde de eed van trouw daarop met 99 stemmen tegen nul.
Religie speelt vooral in de kaart van de Republikeinse partij, want tweederde van de mensen die op zijn minst eenmaal per week naar de kerk gaan, stemmen op de Republikeinse G.O.P (Grand Old Party), terwijl slechts eenderde voor de Democraten stemt. Religieus rechts is er de voorbije decennia dan ook in geslaagd een zeer succesvolle combinatie van spiritualiteit en politiek in de markt te zetten.
Werd het belang van de conservatieve, naar de Republikeinen-leunende ‘evangelische stem’ voor het eerst een thema bij de herverkiezing van George W. Bush in 2004, dan is het ironisch genoeg de liberale Democraat Jimmy Carter die zich in 1976 als eerste als ‘evangelische christen’ outte. ‘Het belangrijkste in mijn leven is Jezus Christus,’ zei Carter vaak tijdens zijn campagne; een taal die eerder ongewoon was in die tijd, maar hem wel de steun van verschillende prominente evangelische leiders opleverde. Op de Southern Baptist Convention van dat jaar werd hij geïntroduceerd ‘als de enige kandidaat wiens initialen dezelfde zijn als die van onze Heer’. Met meer dan 50% van de evangelische stem stevende J.C. af op een monsteroverwinning.
Maar in tegenstelling tot Carter - die de scheiding van Kerk en Staat strikt zou respecteren - zouden Republikeinse politici snel begrijpen dat de lijm die de coalitie van godsdienst en politiek rechts samen kon houden het product moest worden van een monopolie op twee verboden: dat op abortus en een ander op het homohuwelijk. Niet onbelangrijk, maar van ondergeschikt belang zijn de doodstraf, immigratie, de bescherming van de burgerrechten (tegenover veiligheid en terrorisme) en de Amerikaanse buitenlandpolitiek.
Carters liberale houding tegenover abortus (Roe vs. Wade) en het homohuwelijk werden hem door zijn conservatieve kiezers niet in dank afgenomen. Charismatische media-entrepreneurs en televangelisten als Pat Robertson en Jerry Fallwell zetten al snel op religie geïnspireerde bewegingen op die uiteindelijk zouden worden gegroepeerd onder de noemer ‘New Christian Right’. (Beiden zouden later met hun mond hun eigen graf graven: Robertson toen hij in 1998 beweerde dat hij al biddend orkanen van richting kon doen veranderen; Falwell toen hij in 2001 de terroristische aanslagen van 9/11 ‘een straf van God voor een zondig land’ noemde. Hun achterban haakte massaal af.)
Vooral de Moral Majority van Falwell slaagde erin zowel evangelische en niet-evangelische kiezers te overtuigen dat ze hun agenda enkel zouden verwezenlijken wanneer Carter van het politieke toneel zou verdwijnen. Fallwell wilde een president in het Witte Huis die abortus buiten de wet zou stellen, het ochtendgebed in scholen zou verplichten en de traditionele familiale waarden zou verdedigen. Elke Amerikaan had volgens Falwell drie prioriteiten: to be saved, to be baptized en to vote. In die volgorde.
Wie de impact van de Moral Majority en andere conservatieve leiders op het kiesgedrag goed kon inschatten was acteur Ronald Reagan, die in 1980 een verpletterende verkiezingsoverwinning zou behalen. Dat de Democraten zich dat jaar voor het eerst openlijk als pro-abortus (pro-choice) hadden gepositioneerd zou het begin van een polarisatie betekenen, die tot op vandaag blijft voortduren. Het kunstje dat de Republikeinen in 1980 voor het eerst hadden opgevoerd, zouden ze in 2004 nog eens overdoen. Het onderwerp was dan het homohuwelijk dat in 13 staten ter discussie werd gesteld. Karl Rove, de chef-strateeg van de Republikeinen, overtuigde zijn basis ervan dat enkel ‘Born again Christian’ George W. Bush zou doen wat nodig was om het ‘traditionele huwelijk tussen man en vrouw’ in ere te herstellen. Hij slaagde erin de verschillende referenda omtrent het homohuwelijk te linken aan de presidentsverkiezing en maakte dat via zeer heldere communicatie duidelijk. Omdat Bushs opponent John Kerry op dat punt eerder een schoolvoorbeeld van onduidelijkheid was, wist Bush zonder al te veel moeite zijn herverkiezing in de wacht te slepen.
In hun boek American Grace concluderen de auteurs Robert Putnam en David Campbell ‘dat abortus en homohuwelijk niet het onderwerp zijn dat bij elke presidentsverkiezing beslissend is. Zelfs in 2004 was dat niet echt het geval. Waar het wel over gaat is dat beide thema’s een belangrijk onderdeel van de Republikeinse agenda zijn geworden omdat ze kiezers toelaten een keuze te maken die aansluit bij hun (niveau van) geloof. ‘
De weinig religieuze Republikein John McCain bevestigde die theorie toen hij in 2008 Sarah Palin als running mate koos. Deze uitgesproken ant-abortuspolitica en gelovige moeder van vijf werd verondersteld evangelische stemmen te recupereren bij religieuze kiezers die geen al te hoge pet ophadden van de hertrouwde McCain. Tevergeefs bleek, want ook de Democratische kandidaat Obama kon veel gelovige aanhangers voor zich winnen met zijn boodschap van gelijkheid, rechtvaardigheid en solidariteit. Twee uitzichtloze oorlogen in Irak en Afghanistan en de moeder van alle financiële crises deden de rest.
Bijna acht jaar na de laatste evangelische verkiezingsoverwinning beginnen een aantal evangelisten de alliantie tussen de Christian Right en de politiek in vraag te stellen. Zij vinden dat christenen hun stem moeten behouden en de waarheid boven de macht moeten verkiezen, zelfs wanneer ze daardoor gemarginaliseerd raken.
Ook Gods adviseurs zien de bui hangen. In zijn boek Suicide of a Superpower. Will America survive to 2025? waarschuwt de conservatieve populist Pat Buchanan - een adviseur voor drie Republikeinse presidenten, die in 2002 zelf presidentskandidaat voor de Reform Party was - voor het einde van het christelijke Amerika zoals we dat vandaag kennen: ‘Amerika was ooit een westerse, christelijke republiek, maar wordt vandaag getransformeerd in een multiraciale, multiculturele, multilinguïstische en multi-etnische hutsepot van een natie, waarvan in de wereldgeschiedenis geen succesvolle precedenten bestaan.’
Een stelling die wordt versterkt door Michael Spencer van de Christian Science Monitor: ‘Binnen twee generaties, zal het evangelische huis door zijn bewoners verlaten zijn. De val van het evangelisme zal de doorbraak inluiden van een anti-Christelijk hoofdstuk in de na-christelijke geschiedenis’.
Buchanan wijst de huidige president Barack Obama met de vinger. Als eerste in de recente geschiedenis weigerde die bij zijn inhuldiging te erkennen dat Amerika een christelijke natie is. ‘We are a nation of Christians and Muslims, Jews and Hindus, and non-believers’, sprak Obama. In 1892 had het Amerikaanse Hooggerechtshof nochtans verklaard dat Amerika een Christelijke natie was.
Barack Obama bevestigde op 20 januari 2009 dat dit niet langer het geval was.
De sleutel van de oplossing voor het probleem van jeugdwerkloosheid is de hervorming van de arbeidsmarkt. Maar zoals een intern rapport van de Duitse regering aangeeft: op dat vlak doen de getroffen landen zo goed als niets...Lees meer