Miljonairsfabriek Silicon Valley

Tegen 1998 produceerde Silicon Valley gemiddeld 60 dollarmiljonairs per week. Het waren gouden tijden voor de ICT-industrie. Zelfs België telde mee, want Microsoft betaalde in dat jaar 45 miljoen dollar voor een belang van 8% in het West-Vlaamse sprookjesbedrijf Lernout & Hauspie. Dat flamboyante duo ontvouwde al snel grootse plannen om ook in ons land een kloon van de Amerikaanse techvallei neer te zetten: de Flanders Language Valley. Dat het Vlaamse spraaktechnologiebedrijf begin 2001 failliet ging, had uiteindelijk weinig te maken met de dotcomzeepbel en alles met de creatieve boekhoudingstechnieken van zijn Koreaans filiaal. En hoewel de markt ook in Silicon Valley grotendeels zou terugnemen wat hij eerder had gegeven (de dotcom bubble zou tussen 2000 en 2002 tientallen miljarden dollars in rook doen opgaan), centraliseerde al wat in de techwereld van tel was zich in de daaropvolgende jaren definitief in die gouden strook van 80 km lang op 20 km breed, tussen San Jose en San Francisco, aan de Amerikaanse westkust.

Net als de financiële wereld zich in Wall Street en de entertainmentindustrie in Hollywood hadden verankerd, zorgde de internetrevolutie ervoor dat de ‘Valley’ al snel uitgroeide tot de motor en het model van de nieuwe high-techeconomie.  Een globale internetmarkt van gauw meer dan 1 miljard mensen, allen geconnecteerd door eenzelfde netwerk, zorgde voor nooit geziene opportuniteiten. Met één verschil: de in jeans en t-shirt geklede techmiljonairs waren amper te vergelijken met de financiële- en industriële bonzen die hun fortuinen binnen de traditionele economie hadden verdiend.

Ze waren niet alleen jonger (Mark Zuckerberg zag na de verkoop van 1,6 % van Facebook aan Microsoft in 2007 zijn bedrijf gewaardeerd op 15 miljard dollar. Hij was toen 23); ze hadden ook een gans andere benadering van zakendoen.

Silicon Valley werd snel een state of mind, een ecosysteem dat mensen uit de nabijgelegen topuniversiteiten (Stanford en Berkeley), de technologische- en de financiële wereld samenbrengt binnen een optimale infrastructuur. De openheid over ideeën die er heerst maakt kruisbestuiving mogelijk en stelt mensen in staat om steeds opnieuw boven zichzelf uit te groeien. Net omdat een all things are possible-attitude wordt gepromoot en het nemen van risico’s wordt aangemoedigd, omarmt het systeem ook grootmoedig de mislukkingen.  De afstraffing is niet voor wie faalt, maar voor wie niet probeert. Voeg daar belangrijke belastingsvoordelen voor jonge ondernemingen aan toe, stock option incentives om medewerkers te belonen wanneer doelstellingen worden gehaald en het aangename meditterane klimaat in deze prachtige regio en een vruchtbare basis voor succes is gelegd.

Raakte Silicon Valley uiteindelijk nooit in België, dan raakten een aantal Belgen wel in Silicon Valley. De jonge Xavier Damman bijvoorbeeld, een 27-jarige Nijvelaar, die vorige maand 2 miljoen dollar ophaalde bij een durfkapitaalverschaffer, een verwezenlijking die door de Belgische pers koudweg werd genegeerd. Dan is er Gentenaar Bart Decrem die zijn bedrijf Tapulous aan Disney verkocht en Brusselaar Sebastien De Halleux, die zijn bedrijf Playfish voor 400 miljoen dollar aan de Amerikaanse spelletjesgigant Electronic Arts sleet.

‘We moeten af van de gedachte dat we in Europa ook een Silicon Valley moeten creëren, het is tijdverlies. Laten we bruggen bouwen en jongeren die hiernaartoe willen komen helpen die droom te realiseren’, zegt Damman, die ervan overtuigd is dat zijn project Storify een stille dood zou zijn gestorven, mocht hij in België zijn gebleven. ‘In België of Frankrijk bestaat geen durfkapitaal. In België geeft men geld aan bedrijven die al rendabel zijn om ze nog rendabeler te maken. Ik kreeg hier 2 miljoen dollar omdat de investeerder niet wil dat ik tijd verspil aan het bedenken van een businessmodel. Het verschil zit in de cultuur: een Amerikaan neemt een risico en ziet dan waar hij uitkomt, zoals Christoffel Columbus dat deed. De Europeaan neemt enkel berekende risico’s. Dat is niet beter of slechter. We moeten stoppen met beide te vergelijken, want beide hebben hun nut bewezen.’

‘Silicon Valley kan je samenvatten in twee woorden, ‘forward payback’, zegt Damman: ’Als ik hier de baas van Twitter om raad vraag, nodig ik hem uit voor een kop koffie bij Starbucks; hij verwacht daarvoor niets terug. Hij weet dat ik geen geld heb en hij heeft er al meer dan genoeg. Maar hij weet ook dat ik op mijn beurt het systeem een dienst zal bewijzen wanneer ik geslaagd ben en een jongere mij om hulp vraagt. Dat is ‘forward payback’. In België is dat totaal omogelijk. Daar blijven de sociale klassen overheersen. Probeer als 27-jarige maar eens om de CEO van Belgacom uit te nodigen voor een kop koffie om de hoek.’

Damman is ondertussen een van de vele tienduizenden immigranten die het in Silicon Valley zal maken. Immigranten lagen aan de basis van 1 op elke 2 techbedrijven die tussen 1995 en 2006 in Silicon Valley werden opgericht. In 2006 genereerden deze door immigranten opgestarte bedrijven niet minder dan 52 miljard dollar aan omzet en stelden ze 450.000 mensen tewerk.

Wie door de Valley rijdt, waant zich al snel in Azië of een ander exotisch deel van de wereld. In de leerlingenraad van de lagere scholen in Cupertino (waar Apple zijn hoofdkwartier heeft) zijn 52 verschillende talen en 12 dialecten samengebracht, met Koreaans, Hebreeuws, Russisch en Farsi in de top tien. Vastgoedspecialist Cornish & Carey Commercial, die de San Francisco Peninsula afschuimt op zoek naar verhuurbaar vastgoed, beschikt over een netwerk van makelaars die samen 48 vreemde talen spreken. Iets waar Europa misschien toch eens over moet nadenken. Toen Michael Dell de vraag werd gesteld waarom Europa op technologisch vlak nog steeds achterop hinkt was zijn antwoord: ‘Kunnen Indiërs makkelijk een bedrijf opstarten in Duitsland?’

Toch moet Europa niet wanhopen. De hierboven omschreven bedrijfscultuur begint ook bij ons onder impuls van de digital natives stilaan opgang te maken. Spotify, Skype, Playfish, Vente-privée.com; het zijn alle Europese initiatieven. De high-techindustrie staat zelfs op de politieke agenda van de EU, die een heuse commissaris voor Innovatie heeft: de Ierse Maire Geoghegan-Quinn. Zij hield begin deze maand een pleidooi voor meer subsidies voor Onderzoek en Ontwikkeling. Maar het zijn niet subsidies die van Europese start-ups wereldspelers zullen maken. Europa heeft nood aan een nieuw soort ondernemerschap, dat meer durf tentoonspreidt en bereid is risico’s te nemen.

Een paar van die ondernemers bestaan al. Zo is een van de populairste games van het ogenblik niet in de Valley maar in het Finse Espoo bedacht.  Angry Birds is sinds zijn lancering in december 2009 bijna 100 miljoen keer gedownload. Peter Vesterbacka, de baas of ‘Mighty Eagle’ van Rovio, het bedrijf dat het spel ontwikkelde, heeft alvast geen last van die traditionele Europese bescheidenheid. Op het Mobile World Congress in Barcelona vorige week zei hij dat Angry Birds groter moet worden dan het wereldbekende Tetris.

Hij is goed op weg. Het spel schijnt zo verslavend te zijn dat de meest fervente spelers ondertussen hun huisdokter om hulp hebben moeten vragen.

(Foto San Francisco: Aaron Logan)

  • Powered by:Express.be
Dominique Dewitte

is de Algemeen Directeur van Express.be. Hij reist momenteel door de VS en schrijft zijn indrukken neer in het weblog 'America(n) Matters!'

Share
STIJGERS & DALERS BEL20