Woont God in Amerika?

Er zijn kerkdiensten voor fietsers, homo’s en schoolverlaters; Bijbels voor cowboys, bruiden, soldaten en rap-artiesten  en zelfs themaparken voor elk geloof, een miniatuurversie van de Sint-Pietersbasiliek in Rome inbegrepen.’

John Micklethwait en Adrian Wooldridge, in God Still Isn't Dead,


'Mocht God op Aarde wonen, dan zouden de mensen stenen naar zijn huis gooien,' luidt een joods spreekwoord. Maar of dat ook in Amerika het geval zou zijn, valt te betwijfelen. In zoverre zelfs dat men zich de vraag mag stellen of er nog democratische staten zijn waar God dermate zijn stempel op het dagelijkse leven drukt als dat in de VS het geval is.  Elke discussie over godsdienst in de VS start dan ook best met het ontegensprekelijke feit dat Amerika een diep religieus land is. 83% van de Amerikanen zegt een godsdienst aan te hangen, 40% zegt wekelijks op zijn minst één of meer erediensten bij te wonen. 44% van de Amerikanen zegt op zijn minst eenmaal daags voor het eten te bidden. Cijfers die het land in de rangschikking van de godsdienstbeleving vóór het Iran van de ayatollahs positioneren.

Amerika is een overwegend christelijke natie. Van de 83% die zeggen gelovig te zijn, vereenzelvigen 95% zich met een of andere strekking binnen het christendom. Eenderde daarvan zijn katholieken en tweederde (de helft van de Amerikaanse bevolking) zijn protestanten. Binnen beide strekkingen zijn er talloze subgroepen (Assemblies of God, Church of Jesus Christ of Latter-day Saints (Mormonen), de Presbyterian Church, de American Baptist Churches, de Evangelical Lutheran Church...). Zes van de vijftien grootste kerkgemeenschappen in de VS zijn bovendien hoofdzakelijk Afrikaans-Amerikaans. Opmerkelijk genoeg vormen de joden, moslims, boeddhisten en hindu’s een absolute minderheid binnen het Amerikaanse religieuze landschap. Samen vormen ze minder dan 4% van de totale bevolking. De joodse godsdienst vertegenwoordigt op zijn beurt 1,3% van de Amerikanen.

Europeanen verbazen zich vaak over de impact van godsdienst in het dagdagelijkse leven van de Amerikaan. Toch is deze verstrengeling niets nieuws. Toen Alexis de Tocqueville in 1831 door Amerika reisde viel het godsdienstig karakter van het land hem onmiddellijk op. In zijn meesterwerk Over de Democratie in Amerika, schreef hij daarover het volgende:

‘In de VS smelt de godsdienst samen met alle nationale gewoonten en met alle gevoelens die het begrip vaderland oproept. (...) Het christendom heeft derhalve een grote macht gehouden over denken en doen van de Amerikanen en daarbij wil ik vooral opmerken dat deze macht geenszins wordt uitgeoefend als een filosofie die na onderzoek aanvaard wordt, maar als een godsdienst waarin geloofd wordt zonder discussie. In de VS krioelt het van christelijke, steeds veranderende sekten, maar het christendom zelf is een voldongen, onweerstaanbaar feit, waartegen geen aanvallen worden ondernomen en dat geen verdediging behoeft.’

De vraag hoe het komt dat terwijl Europa steeds verder opschuift naar secularisering (de afname van de maatschappelijke invloed van religie), zich in een modern land als de VS net het tegenovergestelde fenomeen voordoet, dringt zich dan ook op. Die vraag beantwoorden is niet makkelijk, want er is geen grote mythe over godsdienst in Amerika, geen ‘wij’-verhaal  dat de Amerikaanse religieuze identiteit bepaalt.

In plaats daarvan zijn er verschillende kleine verhaaltjes, meestal gecentraliseerd rond dezelfde mensen en gebeurtenissen uit het verleden, maar met een verschillend, vaak zelfs conflicterend perspectief. De Amerikaanse godsdienstkast zit ook vol lijken, de meeste waarover niet meer wordt gesproken, laat staan dat ze nog worden erkend. Toch kunnen drie historische invloeden worden aangeduid die tot op de dag van vandaag het Amerikaanse religieuze landschap blijven bepalen.

1. De etnische zuivering van de oorspronkelijke inwoners van Amerika (Native Americans) en hun inheemse religieuze tradities

Een verhaal dat begint in 1492 toen Columbus voet aan land zette op het eiland Hispaniola (vandaag Haïti en de Dominicaanse Republiek) en eindigt in 1890 met het bloedbad van Wounded Knee. De vierhonderd jaar daartussen lezen als een roman van geweld, brutale onteigeningen, massamoorden en slavernij, waarbij grote groepen - zich christenen noemende - gewapende Europeanen de oorspronkelijke inwoners van Amerika decimeerden in hun rooftocht op zoek naar goedkope arbeidskrachten, goud, bont en ander waardevol bezit. Waarom de kolonisten zich het eigendomsrecht op het land van de inheemse bevolking toeëigenden, staat beschreven in Two Treatises on Government, een politiek theologisch manifest van de Engelse filosoof John Locke, die de staatsvorm van de Verenigde Staten diepgaand zou beïnvloeden.

Hij baseerde zich op een interpretatie van het scheppingsverhaal in de Bijbel en stelde dat wie het land bewerkte er ook het eigendom op kon claimen.  Volgens Locke’s doctrine deden de Indianen dat niet en bestond hun land dus uit ‘grote hoeveelheden braakliggende wouden’ waarop ze bijgevolg niet langer het eigendomsrecht hadden. Dat de inheemse bevolking allesbehalve vertrouwd was met dat soort concepten, kon de kolonisten niet beroeren. Weinigen onder hen hadden oog voor of interesse in de religieuze concepten die de oorspronkelijke bewoners door de eeuwen heen hadden ontwikkeld. Een triest stuk geschiedenis, eenvoudig, maar meesterlijk samengevat door folkzanger Bob Dylan in een paragraaf van diens protestsong With God On Our Side uit 1963:

Oh the history books tell it, They tell it so well. The cavalries charged, The Indians fell
The cavalries charged,The Indians died. Oh the country was young, With God on its side.

2. De strijd voor godsdienstvrijheid

In 1776 schreef de grote revolutionaire denker Thomas Paine - een van de Founding Fathers van de VS - in zijn pamflet Common Sense: ‘Deze Nieuwe Wereld is het toevluchtsoord geworden voor de vervolgde aanhangers van burgerlijke en godsdienstige vrijheden uit elk deel [van Europa].’ Vele oorspronkelijke Europese bewoners trokken dus naar Amerika als religieus vluchteling en riskeerden hun ganse hebben en houden om hun godsdienst te kunnen beleven zoals ze dat zelf wilden. De Onafhankelijkheidsoorlog (1776 - 1783) was naast een strijd voor onafhankelijkheid evenzeer een strijd voor religieuze vrijheid; een rebellie tegen de tirannie van het 18de-eeuwse Europa, met zijn bisschoppen en pausen die op hun beurt gelinkt waren aan de tirannie van koningen en prinsen. De Amerikaanse protestanten wilden met geen van beide iets te maken hebben. Hun belangrijkste bezwaar daarbij was dat het Oude Europa godsdienst en staat niet gescheiden hield.

Centraal in de argumentatie van deze beweging stond de protestantse overtuiging dat godsdienstbeleving iets volkomen persoonlijk was. Of zoals de Engelse protestantse  theoloog Roger Williams (1604 - 1684), die in Amerika de eerste Baptistische kerk zou oprichten, schreef:

‘Elk individu staat uiteindelijk alleen voor God en is verantwoording verschuldigd voor zijn of haar geloof en geweten. De staat moet niet proberen geloof af te dwingen, want dat is een zaak van individuele vrije wil.’

Deze progressieve Protestantse godsdienstige beginselen zouden niet enkel de basis van de revolutie vormen, maar uiteindelijk ook die van de Amerikaanse Grondwet. Samen met die morele erfenis zorgde de in Amerika immer gering aanwezige sociale zorg - die maakte dat het leven vooral uit gevaar en onzekerheden bestond - ervoor dat latere generaties immigranten hun godsdienst zouden blijven beleven zoals zij en niet de staat dat wilde.


3. De wedergeboorte van een uniek Amerikaans-evangelisch bewustzijn

Op 8 april 1966 bevatte de cover van Time magazine exact drie woorden: ‘Is God Dead?’. Niet eens een foto. De zestiger jaren van de vorige eeuw zouden de oude fundamenten van het godsdienstige Amerika grondig testen. Zekerheden die eeuwen - soms millennia- hadden standgehouden werden nu plots in vraag gesteld. De VS worstelden met een voor iedereen zichtbare crise de conscience.

Tussen 1969 en 1973 verdubbelde het aantal Amerikanen dat in seks voor het huwelijk ‘niets verkeerds’ zag van 24 naar 47%. Tien jaar later, in 1982 was dat aantal zelfs gestegen tot 62%. Maurice Isserman en Michael Kazin, twee prominente chroniqueurs van de Golden Sixties, concludeerden dat ‘niets zo diepgaand is veranderd tijdens de zestiger jaren als de Amerikaanse godsdienst.’

Maar de meest duidelijke aanwijzing van de grondverschuiving die de Sixties op geloofsvlak hadden aangericht was de terugval in het belang dat men algemeen aan godsdienst hechtte. Zeiden in 1952 nog 75% van de Amerikanen dat geloof ‘zeer belangrijk’ voor hen was, dan waren er dat in 1978 nog 52%, de grootste terugval ooit vastgesteld in zulke korte periode.
De Sixties werden vooral gekenmerkt door een grote verandering op vlak van de beleving van de seksualiteit en door de toegenomen tolerantie tegenover drugs, abortus en homoseksualiteit. Niemand die eraan twijfelde dat de liberalisering van de morele waarden en de terugval in het belang van religie oorzaak en gevolg waren. Toen in 1982 aan de Amerikanen werd gevraagd waarom godsdienst een minder prominente plaats in hun leven had gekregen, antwoordden ze - in die volgorde van belangrijkheid - dat godsdienst aan relavantie had verloren, dat hun maatschappij gewelddadiger en immoreler was geworden, dat materialisme belangrijker was en dat de kerk niet langer mee was met de tijd.

Draait religie zeker niet enkel om seksbeleving, dan zou het paradoxaal genoeg de seksuele liberalisering zijn die het verval van de godsdienstbeleving een halt zou toeroepen. De babyboomers uitgezonderd had het gros van het Amerikaanse volk stilaan zijn buik vol van de nieuwe  losbandigheid.

Begin tachtiger jaren zouden de meningen van de jonge Amerikanen opnieuw opschuiven richting conservatisme. In 1987 vond 79% van de 18 tot 29-jarigen homoseksualiteit ‘altijd verkeerd’. Ook de oppositie tegen de legalisering van marihuana steeg van 50% in 1967 tot 80% in 1990. Een nieuwe generatie Amerikaanse conservatieven was geboren, waarbij religie en conservatisme steeds vaker in symbiose gingen.

Abortus en homorechten werden de uithangborden van een nieuwe culturele oorlog, een beweging die al snel het etiket ‘Religious Right’ kreeg opgeplakt. Voor miljoenen Amerikanen betekende deze samensmelting van religie en politiek de langverwachte aanzet tot een nieuw Amerika, wars van alle excessen en immorele uitspattingen die de Sixties hadden gekenmerkt. Die beweging zou snel aansluiting zoeken bij politiek rechts, in de VS belichaamd door de Republikeinse partij G.O.P (Grand Old Party). Die begreep al snel dat uit deze religieuze werdergeboorte politieke munt viel te slaan.

Op 2 november 2004 zou ‘born again Christian’ George W. Bush daarvan het levende bewijs worden.

(Foto: De Lakewood Church van predikant Joël Osteen in Houston (Texas) biedt plaats aan 43.500 gelovigen. De arena is de voormalige thuishaven van het NBA-team Houston Rockets.)

  • Powered by:Express.be
Dominique Dewitte

is de Algemeen Directeur van Express.be. Hij reist momenteel door de VS en schrijft zijn indrukken neer in het weblog 'America(n) Matters!'

Share
STIJGERS & DALERS BEL20