De wondere wereld van het verspringen: waarom het wereldrecord al 20 jaar stand houdt

Sinds 1968 kent de wereld twee mannelijke wereldrecordhouders in het verspringen: Bob Beamon die in 1968 (Mexico) 8 meter 90 ver sprong en Mike Powell, die daar 23 jaar later in Tokyo 5 centimeter aan toevoegde. In geen enkele andere discipline houden wereldrecords zo lang stand. Zo is het wereldrecord op de 100 meter sprint sinds de wereldkampioenschappen van 1991 in Tokyo liefst 10 keer gesneuveld.

Hoe komt dat?, vroeg Slate.fr zich ter gelegenheid van de twintigste verjaardag van Powells record af.

Het webmagazine ging eerst terug in de tijd en analyseerde de omstandigheden waarin beide bovenstaande records tot stand kwamen. Er wordt trouwens opgemerkt dat sinds Jesse Owens in 1935 (76 jaar geleden!) 8 meter 13 ver sprong, slechts 4 mensen het wereldrecord verspringen achter hun naam hebben kunnen zetten: de Amerikaan Ralph Boston, de Sovjet-Rus Igor Ter-Ovanessian en de voormelde Amerikanen Bob Beamon en Mike Powell.

Bob Beamon, Olympische Spelen 1968, Mexico City – 8 meter 90

In 1968 waren de omstandigheden optimaal voor Beamon. De ligging van Mexico-stad op 2250 meter hoogte maakte dat Beamon niet enkel zijn eigen record met 57 cm overtrof, hij verpulverde ook het bestaande record van Ter-Ovanessian met 55 centimeter. Ook de rugwind was die dag optimaal en schurkte tegen de toegestane limiet van 2 meter per seconde aan. Opmerkelijk genoeg wist in hetzelfde uur als Beamon zijn recordsprong realiseerde ook de Amerikaan Lee Evans zichzelf te overteffen op de 400 meter, met een recordtijd die 20 jaar lang zou standhouden. Ook de vochtigheidsgraad zou beide atleten geholpen hebben, want minuten na dit exploot barstte boven de Mexicaanse hoofdstad een geweldig onweer los.


Mike Powell, Wereldkampioenschappen 1991, Tokyo – 8 meter 95

Powells leermeester Carl Lewis was in het verspringen 65 wedstrijden en 10 jaar lang ongeslagen toen hij zich in de Japanse hoofdstad opmaakte voor wat zijn derde wereldtitel op rij zou worden. Zijn beste sprong totdantoe had Lewis in 1983 in Indianapolis gemaakt, waar hij 8 meter 79 ver sprong.

Maar na een eerste recordsprong van 8 meter 91 te hebben gemaakt (die hem werd geweigerd vanwege een rugwind van 2,9 meter per seconde), sprong Lewis' poulain Powell bij zijn vijfde en laatste sprong liefst 8 meter 95 (met een rugwind van 0,3 meter per seconde). In zijn twee nabeurten raakte Lewis ondanks uitzonderlijke sprongen niet verder dan 8 meter 87 (een persoonlijk record) en 8 meter 84.



Sinds die dag heeft niemand nog verder gesprongen dan 8 meter 74 (Erick Walder (USA) in 1994 en Dwight Philips (USA) in 2009)

In de nabije toekomst ziet Powell slechts één man in staat om zijn record te breken: het Jamaïcaanse sprintwonder Usain Bolt, die na de Olympische Spelen van Londen 2012 zou kunnen beslissen om zich op de 400 meter en/of het verspringen te gaan concentreren.

Toen Powell zijn recordsprong lukte liep hij bij zijn aanloop 10,9 meter per seconde (tegen 11,2 meter voor Lewis) en was zijn hoek bij het afstoten 33 graden. Omdat Bolt 12 meter per seconde loopt zou hij met eenzelfde hoek bij het afstoten makkelijk meer dan 9 meter kunnen halen.

'Wie ver wil springen, moet snelheid en lengte hebben; twee kwaliteiten die de voorbije 20 jaar te zelden in één en dezelfde atleet zijn verenigd. Bolt (die 1 meter 95 meet) heeft beide,' zegt Powell. Ondanks dat Bolt al wereldrecords bezit op de 100 meter (9’’58), de 200 meter (19’’19) en de 4x100 meter (37’’10), zal hij moeilijk kunnen weerstaan aan de gedachte om als eerste man op de planeet verder dan 9 meter te springen, denkt Powell.

En dat record, net als Beamon en Powell, zeer lang achter zijn naam te kunnen houden.

(Foto: Attribution by Hermitianta P. Putra)

  • Gebaseerd op:Slate
  • Powered by:Express.be
Share
STIJGERS & DALERS BEL20