 Om een goed gesprek te voeren, moet je minstens met twee zijn, en moet elke gesprekspartner goede bedoelingen hebben. Linguïsten noemen dit het ‘samenwerkingsbeginsel’. Doorgaans wordt er van uitgegaan dat de gesprekspartners het samenwerkingsbeginsel respecteren. Bij schelden, verwijten, verwensingen, beledigen, kwetsen en bedreigen is dat niet meer het geval. Minstens één van beide heeft de bedoeling de andere kwaad te berokkenen. De bedoeling van de interactie is om de andere te kwetsen. Er kan wel humor mee gemoeid zijn: Breek je middenvoetbeentje! Ik wens u een egel onder uw muts! Krijg een roggestaart in je gat! Ik wens u veel personeel toe! Krijg de bloedkanker achter je hart! Waai dood! Krijg de betontyphus achter je hartkleppen! Je hebt een goed hart, maar het moest gebraden op je rug hangen! Krijg de vergietziekte, dan kun je lekken! Schat, ik wou dat ik je in een bloempot had, dan gaf ik je zoveel water dat je verzoop. Sterf jong, dan ben je een mooi lijk! Krijg het koude kippenzuur! Krijg het schapenschurft en de rambam en een hartverzakking! Zak in de blubber! Ge zijt een goeie kloot, maar ge moest onder een ezel hangen! Loop naar de pomp! Je kan mijn reet roesten! Krijg een reetscheetvereelting! Loop naar de maandag! Je zal nooit zo oud worden als je eruit ziet! Fuck you! Krijg een navelpiepverziepering! Sterf staand met je mond open, dan ben je een mooie brievenbus! Val dood! Verdwijn als een scheet in de maneschijn! Beleefdheid is, zoals onderhand duidelijk gebleken, niet noodzakelijk aanwezig in elke vorm van talige interactie. Nogal wat mensen zijn onbeleefd. Niet bewust, maar uit domheid. Bewuste onbeleefdheid is dan weer een kunst. Stilistisch verantwoord schelden is niet aan iedereen gegeven. In Nederland verschijnen veel boekjes vol scheldwoorden, beledigingen en verwensingen, zoals Lullebol van Hans Heestermans en Krijg de vinkentering van Ewoud Sanders en Rob Tempelaars, om er maar twee te noemen. Marc de Coster heeft met zijn Groot Scheldwoordenboek, Van apenkont tot zweefteef een indrukwekkend standaardwerk afgeleverd.
Sommige inventieve persoonsaanduidingen zijn klassiekers geworden: “de onwelriekende gleuvenbrigade” (Gerrit Komrij over de feministes) “de nogal droeve kloon van de bovenlip van Lodewijk van Deyssel” (Jeroen Brouwers over Boudewijn Büch) “het wandelende waterbed” (Gaston Glasnost over Jean-Luc Dehaene) “gereviseerde paringssimulator” (Gerrit Komrij over Jos Brink) “grappenmaker die speciaal schrijft voor notarissen en gepensioneerde schoolhoofden” (W.F. Hermans over Godfried Bomans) “de minne kruimeltjesdief, de ranzige rakker, de bontmof, de geldgeile aap” (Jeroen Brouwers over Julien Weverbergh) “een roze sjaaltje, met daarboven twee natte oogjes die in een Mongoolse rattenkop ronddrijven als op een bord magere soep, een persiflage op de Eeuwig Jonge Biafraan” (Tom Lanoye over Simon Vinkenoog)
|